Iemand repareert een zeil in Spakenburg terwijl de kinderen toekijken. Historische Vereniging Bunscote CC BY-NC-ND 4.0
Verdwenen ambachten van Spakenburg
Lange tijd waren de meeste inwoners van Spakenburg verbonden met de visserij. Men werkte op de botters, waar vissers hun best deden voor een goede vangst. Maar om visserij in stand te houden is er meer bedrijvigheid nodig dan alleen die van de vissers zelf. Hierbij gaat het niet alleen over de anno 1905 dertien rokerijen waar ca. 34 knechten en 130 vrouwen werk hadden, maar ook over het werk van het zeilmaken, tanen en scheepsbouwen. Zonder deze bedrijven kon een visser niet op pad met zijn schip. Hoe werkten deze inmiddels grotendeels verdwenen ambachten?
Zeilmakerijen
De zeilen vormen voor de botter een cruciaal deel van het tuig. Ze werden in de vroege 20e eeuw door zeilmakers met de hand genaaid van voornamelijk katoendoek. Hierbij moest goed kracht worden gezet om door het dikke doek te komen. Daar is handigheid nodig maar er was ook een hulpmiddel van leer en ijzer om meer kracht op de naalden te kunnen zetten. Het maken van netten was arbeidsintensief, want twee mannen waren een volle week bezig met het maken van één stel zeilen. Op zaterdag was de zeilmaker bezig met reparatiewerk aan boord van de schepen, vooral na een winderige week had hij het druk.
In 1905 waren er in Spakenburg drie zeilmakerijen. Deze merkten meteen de effecten van een slecht vissersjaar, aangezien de vissers dan extra op hun geld letten en er dus minder nieuwe zeilen werden besteld. Tegenwoordig is er nog één zeilmakerij actief in het dorp, die vooral (kunststof) afdekzeilen maakt. Dit familiebedrijf bestond al in 1895.
Iemand repareert een scheepszeil in Spakenburg. Historische Vereniging Bunscote CC BY-NC-ND 4.0
Taanderijen
Voor de opkomst van synthetische materialen waren de netten, touwen en zeilen van organisch oorsprong. Het was daarom belangrijk om deze zoveel mogelijk tegen rot en schimmel te beschermen. Dit gebeurde door tanen. Er waren meerdere van deze taanderijen in het dorp.
In grote ketels werd water aan de kook gebracht, waarna er eikenbast of cachou (een extract van de Indiase acaciaboom) aan werd toegevoegd. De netten en touwen werden vervolgens ondergedompeld en ongeveer 3 uur lang in het mengsel gekookt. Om een zeil te tanen werd deze op de grond uitgerold en met een bezem ingeborsteld. Dit deden de vissers vaak zelf. Het zeil kon weer worden opgerold wanneer het was gedroogd, maar de netten werden vaak in de mast van de botters opgehangen om te drogen.
De grootste taanderij in het dorp was de ‘taonsjuur’ van Duyst, een schuur van 25 meter diep met voorin twee grote deuren. In deze schuur stonden twee ingemetselde taanketels met een inhoud van 4.000 en 5.000 liter. Om deze aan de kook te krijgen moesten er 200 blokken turven de stookplaats in. Voor het ophalen van de netten waren zes handkarren en drie kruiwagens beschikbaar.
Naast het tanen kon je bij de taanderijen in Spakenburg ook terecht voor visserijbenodigdheden zoals touw, kurken, lood en dergelijke voorwerpen.
Foto van een taanderij in Spakenburg. Historische Vereniging Bunscote CC BY-NC-ND 4.0
Scheepszeil wordt getaand in Spakenburg. Historische Vereniging Bunscote CC BY-NC-ND 4.0
Scheepstimmerwerven
De scheepstimmerwerf was het belangrijkste bedrijf in het dorp voor de vissers. Doordat er met houten schepen werd gevaren was er veel vraag naar onderhoud. Kleine klusjes konden door de vissers zelf doen, maar soms ging een schip wel 26 keer per jaar de helling op.
Op de werf was aan het begin van de 20e eeuw werk voor tien tot vijftien man, afhankelijk van hoeveel nieuwe schepen er werden gebouwd. Deze timmermannen hadden ieder een eigen gereedschapskist met klein gereedschap waardoor ze nog wel eens rond de Zuiderzee zwierven op zoek naar werk.
Doordat er met hout werd gewerkt was alles handwerk; geen van de botters hebben dezelfde afmetingen waardoor het altijd maatwerk was om te zorgen dat alles goed in elkaar paste. Alhoewel er malen en maten beschikbaar waren voor de verschillende onderdelen moest er altijd worden geschaafd en gebeiteld om te zorgen dat alles netjes was afgewerkt.
De scheepstimmerwerf Nieuwboer bij Spakenburg. Historische Vereniging Bunscote CC BY-NC-ND 4.0
De scheepstimmerwerf Van Zijl in Spakenburg. Historische Vereniging Bunscote CC BY-NC-ND 4.0
Naast het onderhoudswerk werden er ook nieuwe schepen gebouwd, vaak avonds. Er was op de werf dan ook een speciale loods waarbinnen de schepen konden worden gebouwd. In de bloeitijd, rond 1870-1890 werden er twee of drie nieuwe botters per jaar gebouwd. In 1942 werd de laatste botter voor de visserij te water gelaten.
Enkele schippers gingen met hun schepen in andere dorpen op de helling, waarbij vooral Huizen populair was door de goedkopere prijzen. Kortstondig was er een tweede botterwerf in het dorp die de rechtstreekse concurrentie met Nieuwboer aan ging. Tussen 1918 en 1950 was de werf Van Zijl te vinden in de Nieuwe haven.
Vandaag de dag is de werf Nieuwboer nog actief in het botteronderhoud, waardoor deze ambacht eigenlijk nog wordt bedreven. Het vormt dan ook een uniek stukje levend erfgoed van een ambacht dat nog steeds wordt uitgevoerd, maar wel op de moderne manier, met kettingzagen en elektrische schaafmachines. Het is een ambacht dat dan ook, op zijn eigen manier, verdwenen is en tegelijkertijd voortbestaat.
Meer weten over de verdwenen ambachten van Spakenburg? Bezoek Museum Spakenburg!
Michaël Koelewijn
Michaël is collectiemedewerker bij Museum Spakenburg.
Meer verhalen van deze auteurExtra informatie
| Thema | Ambachten & beroepen Levend erfgoed |
|---|---|
| Type | Geschreven verhaal |
| Periode | Moderne Tijd (1800 - 1945) |
| Organisatie | Museum Spakenburg |
| Regio | Eemland |
| Plaats | Spakenburg |
| Permalink |