Bierbrouwerij
Trijn komt voor het eerst voor in de Utrechtse bronnen in 1555 als Catrijn Willem Claeszoensdr., echtgenote van Jan Jacobsz van Leemput. Het echtpaar heeft dan juist een huis aan de Oudegracht gekocht. Tegenwoordig is dit pand nummer 17, 'Die vergulde Craen'. Jan werkt als knecht in de bierbrouwerij van Trijns' broer, iets verder aan de Oudegracht. Hij neemt de zaak van hem over in 1558. Nog weer acht jaar later heeft hij het bolwerk de Morgenster en de molen in pacht voor zijn bedrijf. Jan bekleedt belangrijke functies binnen het gilde en de stad Utrecht. Zo is hij vanaf 1573 onder meer hopman van een burgervendel (schutterij). Jans' naam komt dan ook regelmatig in de archieven voor. Dat geldt niet voor die van Trijn. Haar naam is voornamelijk legendarisch.
De oudste geschreven bron van het verhaal over haar heldendaden is het dagboek van de Utrechtse geleerde Aernout van Buchell, een jongere tijdgenoot van Trijn. Hij schrijft (in het Latijn): “Op 22 juli 1590 overleed Johannes Jacobus van Leemput, bierbrouwer, die veel voor het landsbelang deed uit naam van de burgers, en wiens echtgenote, een vrouw met mannelijke moed begaafd, als eerste de hand sloeg aan de afbraak van het kasteel Vredenburg."
Filmscenario
In het relaas van Johan van Beverwijk, Van den uutnementheyt des vrouwelicken geslachts uit 1643, wordt de korte mededeling van Van Buchell uitgewerkt tot wat welhaast lijkt op een feministisch filmscenario. Daarin verdedigt Trijn zich eerst tegen twee Spanjaarden die haar lastigvallen in hun huis aan de Oudegracht: Eén schopt ze van de trap, de ander zet ze een groot mes op de keel. Als haar man Jan op 2 mei terugkomt van het raadsoverleg waarin de bestorming van de burcht is afgewezen, onderneemt Trijn actie. Ze bindt haar schort aan een bezemstok en gevolgd door een stoet vrouwen met hamers en houwelen zet ze koers naar Vredenburg. Hoe het volksverhaal over haar optreden is ontstaan is niet bekend. Wel dat het is overgenomen door diverse schrijvers en schilders.