Nationale schoolwet
In 1801 kwam de eerste nationale schoolwet tot stand, gevolgd door een wet in 1806. Deze wetten waren organisatorisch van aard: het onderwijs moest een algemeen christelijk karakter krijgen. Ook moest er klassikaal les gegeven worden waarbij leerlingen gegroepeerd werden naar leeftijd. Zo kon de leraar zo'n groepje gelijktijdig instrueren en hetzelfde werk laten doen. Lezen en godsdienstonderwijs waren de belangrijkste vakken. Schrijven werd eerder als een kunst gezien en rekenen had geen prioriteit, dat leerde een kind wel in de dagelijkse praktijk. Van schoolplicht was geen sprake; de overheid stimuleerde de schoolgang door staatsscholen op te richten. Deze waren niet langer een instrument van de kerk, maar onafhankelijk. Ondanks dat (staats)scholen godsdienstloos moesten zijn, vertolkten de dorpsscholen dikwijls de religieuze opvatting van haar gemeente. In de stad was uiteraard een groter aanbod en verscheidenheid aan scholen. In de wet van 1806 werd bovendien een onderscheid gemaakt tussen openbare en bijzondere scholen - een onderscheid dat zou uitgroeien tot de bekende 'schoolstrijd'.
Discussie
Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw kwam een omslag in het denken over onderwijs. Katholieken vonden het openbaar onderwijs te protestants; protestanten vonden het klassikaal onderwijs geen verbetering. En ook uit diverse andere kringen van de samenleving groeide de kritiek op het onderwijs. Deze ging vaak samen met de kritiek op kinderarbeid. Door de komst van fabrieken ging men kinderarbeid als onwenselijk en ongezond beschouwen. Bovendien bracht de industriële revolutie een sterke groei van administratieve en dienstverlenende functies met zich mee. Dit deed de vraag naar geschoolde en gekwalificeerde arbeidskrachten toenemen. De discussie over verbetering van onderwijs werd een politieke kwestie, en mondde uit in de roemruchte 'schoolstrijd'.