Een slimme oplossing
Door de ophoging van de oevers lagen de huizen een stuk hoger dan de gracht. Er waren schuine oevers naar het water ontstaan. Als er boten werden gelost, dan werd de lading naar boven gesleept naar de huizen. Daar werd de lading in de kelders opgeslagen – dus weer naar beneden gebracht. Vanaf het einde van de 12de eeuw bedachten enkele mensen dat dit slimmer kon. Er werd een tunneltje van de oever naar de kelder gegraven, zodat de lading gelijkvloers vervoerd kon worden.
Deze tunnels werden in de loop der tijd steeds breder, net zo breed als het bijbehorende huis. Nu konden de spullen ook in de tunnel worden opgeslagen. En de spullen moesten worden beveiligd tegen diefstal, dus er werd een hek omheen gezet. Het hek werd een muur, en in de muur kwamen vensters voor het licht. Dit leidde tot werfkelders die direct bereikbaar zijn vanaf de oevers. Deze ontwikkeling is al in de late twaalfde eeuw begonnen.
En wie betaalt?
De Utrechters konden zich deze dure verbouwingen veroorloven. Van de 12de tot de 14de eeuw was Utrecht één van de belangrijkste haven- en marktplaatsen van de Noordelijke Nederlanden. Er waren veel internationale bankiers die voor de financiering konden zorgen. Er was een grote vraag naar opslagruimte, vooral door de wijnhandel, en de werfkelders maakten het lossen van de handelswaar een stuk makkelijker. Uiteindelijk werden er honderden gebouwd - er zijn nu nog 732 werfkelders.
Niet diep maar hoog!
Je kan dus zeggen dat in Utrecht de grachten niet diep liggen, maar dat de straten eromheen zo hoog liggen. De binnenstad ligt vier tot vijf meter boven het zeeniveau, terwijl het gebied net buiten de binnenstad er niet meer dan twee meter boven ligt. Door slim gebruik te maken van het hoogteverschil zijn de werfkelders ontstaan en hebben de grachten nu zo’n bijzonder karakter. Misschien iets om te overdenken, als je op een zonnig terras op de werf een wijntje drinkt.