Groots, maar niet protserig
De dominante bouwstijl van de 17de eeuw was het Hollands classicisme. Klassieke uitgangspunten werden streng toegepast. Er was symmetrie en regelmaat, in zowel huis als tuin, want die vormden één geheel. Ramen en indelingen van gevels hadden vaste verhoudingen. Gevels werden soms gesierd door zuilen of daarvan afgeleide vormen. Decoraties waren over het algemeen sober en ingetogen. Het geheel oogde groots zonder protserig te zijn. Tot in de 18de eeuw waren de huizen langs de Vecht vaak vierkant met een hoog schilddak, zoals Goudestein in Maarssen. De entree kreeg extra aandacht; die werd vaak naar voren geplaatst, met versieringen die zich over meer etages kon uitstrekken. Waar voorheen middeleeuwse kruiskozijnen werden gebruikt, kwamen er na circa 1680 schuiframen, voor het eerst toegepast in Engeland. Erkers boden een goed uitzicht. Pas in deze tijd werd ‘architect’ een echt zelfstandig beroep. Grote namen waren die van Philips Vingboons, Daniel Marot en Jacob van Campen. Bekende huizen zijn Gunterstein en Sterreschans bij Breukelen, Bolenstein en Doornburgh bij Maarssen.
Interieurs
De familie had doorgaans twee woonverdiepingen tot haar beschikking. In het souterrain waren werkvertrekken, zoals keukens, voorraadkamers, wasruimtes, de wijnkelder en de linnenkamer. Het personeel sliep in het souterrain of op zolder. Daar hing ook de was te drogen. De inrichting verschilde weinig van die van de grachtenpanden waar de familie de rest van het jaar woonde, met marmeren vloeren, sierlijk stucwerk, gebeeldhouwde eikenhouten trappenhuizen, wandtapijten en muurschilderingen. Het meubilair in Franse stijl deed daar evenmin voor onder. Het mocht mooi en comfortabel zijn en status telde ook hier.